Een olijfboom groeit langzaam. Wat wij vandaag snoeien, zien we pas over jaren terug. Dat is een les die je niet leert uit een boek — die leer je door te wachten.
De berg leert ons geduld. Vertrouwen dat de seizoenen hun werk doen. Loslaten wat we niet in de hand hebben — de regen, de wind, de tijd.
En misschien is dat wel het mooiste. Dat we hier niet alleen olie maken, maar ook onszelf iedere dag een beetje opnieuw.
De ochtenden hier hebben een eigen tempo. De zon komt langzaam boven de bergkam uit, de eerste vogels beginnen, en de geur van tijm en wilde salie hangt nog laag boven de grond. Je merkt dat je zelf ook langzamer wordt — alsof de berg je een ritme oplegt dat je niet meer wilt loslaten.
We krijgen vaak de vraag hoe het is om zo ver van alles te wonen. Maar eerlijk gezegd voelt het niet zo. Het dorp beneden is dichtbij, de mensen kennen je bij naam, en op de markt weet iedereen precies welk seizoen het is aan wat er op de kraam ligt. Het is een ander soort verbondenheid — kleiner, maar dieper.
In de middag, als de hitte op zijn hoogtepunt is, worden de bomen stil. Zelfs de krekels houden even hun mond. Wij zoeken dan de schaduw op onder de oudste olijfboom van het perceel — een boom waarvan niemand meer weet hoe oud hij precies is. Honderden jaren, zeggen ze in het dorp. Wij geloven het meteen.
En als de dag ten einde loopt, de lucht kleurt van goud naar roze, en de eerste sterren tevoorschijn komen, dan zitten we buiten met een glas wijn en een schaal olijven. Geen telefoon, geen agenda. Alleen wij, de berg, en de stilte die alles zegt wat gezegd moet worden.
Dit is wat we bedoelen als we het over ons leven hier hebben. Niet één groots moment, maar duizend kleine. Niet één beslissing, maar iedere dag opnieuw kiezen. En steeds weer denken: ja, hier zijn we thuis.