Ze zijn nauwelijks te zien. Kleine, roomwitte bloemetjes tussen het zilvergroene blad. Maar voor ons is het het belangrijkste moment van het jaar.
De bloesem is een belofte. Wat nu bloeit, plukken we straks in oktober. Alles wat we in de winter hebben gedaan — het snoeien, het wachten, het hopen — komt hier samen.
En dan is er die ene ochtend waarop de hele berg lijkt te ademen. De bijen zoemen, de lucht is zoet, en wij staan er stil bij. Want dit is waarom we hier zijn.
De ochtenden hier hebben een eigen tempo. De zon komt langzaam boven de bergkam uit, de eerste vogels beginnen, en de geur van tijm en wilde salie hangt nog laag boven de grond. Je merkt dat je zelf ook langzamer wordt — alsof de berg je een ritme oplegt dat je niet meer wilt loslaten.
We krijgen vaak de vraag hoe het is om zo ver van alles te wonen. Maar eerlijk gezegd voelt het niet zo. Het dorp beneden is dichtbij, de mensen kennen je bij naam, en op de markt weet iedereen precies welk seizoen het is aan wat er op de kraam ligt. Het is een ander soort verbondenheid — kleiner, maar dieper.
In de middag, als de hitte op zijn hoogtepunt is, worden de bomen stil. Zelfs de krekels houden even hun mond. Wij zoeken dan de schaduw op onder de oudste olijfboom van het perceel — een boom waarvan niemand meer weet hoe oud hij precies is. Honderden jaren, zeggen ze in het dorp. Wij geloven het meteen.
En als de dag ten einde loopt, de lucht kleurt van goud naar roze, en de eerste sterren tevoorschijn komen, dan zitten we buiten met een glas wijn en een schaal olijven. Geen telefoon, geen agenda. Alleen wij, de berg, en de stilte die alles zegt wat gezegd moet worden.
Dit is wat we bedoelen als we het over ons leven hier hebben. Niet één groots moment, maar duizend kleine. Niet één beslissing, maar iedere dag opnieuw kiezen. En steeds weer denken: ja, hier zijn we thuis.